home > Publicaties > Magazine > 2008 > november
Hoe gaat het met onze Nederlandse rassen?In dit artikel beschrijven we hoe het gaat met de Nederlandse rassen en wat de omvang van de populaties is. Daarnaast schetsen we de achtergrond van het mondiale beleid en geven we informatie over unieke eigenschappen van een ras.Fokkers hebben de afgelopen eeuw unieke rassen gefokt. Veel rassen hebben een cultuurhistorische waarde en hebben eigenschappen waar we misschien in de toekomst baat bij hebben. Soms zijn ze gewoon mooi om naar te kijken. We willen daarom de diversiteit aan rassen en hun genen niet verloren laten gaan. Kruisen met andere rassen, dierziekten en bedrijfsbeëindigingen kunnen rassen bedreigen in hun voortbestaan.
Mondiaal beleid
De genetische diversiteit van landbouwhuisdierrassen staat wereldwijd onder druk. De Wereld Voedselorganisatie van de Verenigde Naties (FAO) inventariseert onder andere de wereldwijd aanwezige diversiteit in diersoorten voor voedselproductie en landbouw (FAO State of the World’s Animal Genetic Resources). De vijf wereldwijd meest gehouden diersoorten zijn: het rund, het schaap, het varken, de geit en de kip. De grootste aantallen geiten, varkens en kippen zijn te vinden in Azië en met name Zuid-Amerika heeft veel rundvee. Om verlies van diversiteit tegen te gaan zijn afspraken gemaakt. Hieruit is een mondiaal actieplan voor behoud en duurzaam gebruik van diversiteit in landbouwhuis dieren (FAO Global Plan of Action for Animal Genetic Resources) voortgekomen. Ook Nederland is hier actief bij betrokken. Het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN) ondersteunt het ministerie van LNV hierbij en werkt nauw samen met stamboeken, rasverenigingen, Stichting Zeldzame Huisdierrassen (SZH) en het fokkerijbedrijfsleven.
swifterschapen.jpg

Koppel Swifterscapen

Variatie binnen en tussen rassen Genetische erosie of verlies van genetische diversiteit treedt niet alleen op door het verdwijnen van rassen, maar ook wanneer in een ras de verwantschap tussen dieren te sterk toeneemt. De wereldwijde trend is overduidelijk; hoogproductieve rassen zijn commercieel zeer succesvol, waardoor ze lokale rassen steeds verder verdringen. In Nederland is hierdoor een aanzienlijk aantal rassen zeldzaam geworden. Er is voortdurend aandacht nodig voor een brede selectie en inzet van ouderdieren. Houden we genoeg variatie in ouderdieren en kunnen we de verwantschap in de populatie laag genoeg houden om inteeltproblemen te voorkomen? Besteden we in de keuze van de fokdieren genoeg aandacht aan gezondheid, vruchtbaarheid en levensduur De rasverenigingen en fokkersclubs hebben hierin een belangrijke taak. Ter ondersteuning van deze rasverenigingen en fokkersclubs vervult de SZH een koepelfunctie om het behoud van oorspronkelijke Nederlandse rassen te bevorderen.

Tabel 1 – Risicoclassificatie voor zeldzame huisdierrassen volgens de FAO-norm

 classificatie status vrouwelijke fokdieren mannelijke fokdieren
 normaal

 > 10.000

 
 onzeker

 < 10.000

 
 kwetsbaar

 < 5000

 
 bedreigd

 < 1000

 < 20

 kritiek

 < 100

 < 5

Wanneer we kijken naar het huidige aantal rassen in Nederland (FAO State of the World’s Animal Genetic Resources) lijkt de diversiteit toe te nemen. Dit geeft een vertekend beeld. Het is van belang om niet alleen naar het aantal rassen te kijken, maar ook naar de omvang van rassen en de oorsprong. Het grote aantal rassen in Nederland wordt vooral veroorzaakt door de import van buitenlandse rassen die met een klein aantal dieren in Nederland worden gehouden. Daarnaast voegt een ras dat landbouwhuisontstaan is door het kruisen van twee ouderrassen minder toe aan de totale diversiteit dan een volledig onverwant ras. En een ras waarvan alle dieren samen van een paar vaderdieren afstammen, herbergt in de regel minder biodiversiteit dan een groot ras met vele duizenden vaderdieren. Verder is een ras waarvan in het buitenland grote aantallen aanwezig zijn op wereldschaal minder snel bedreigd dan een uniek Nederlands ras. De rasindeling kan verfijnd worden door, behalve naar populatiegrootte, ook naar oorsprong, leeftijd en gebruik te kijken. Rassen kunnen naar herkomst (Nederlands, buitenlands), naar leeftijd (oud ras < 1920, modern kruisingsproduct) en naar gebruik (industriële productie, extensieve productie, natuurbeheer of hobby) worden ingedeeld. Over het algemeen wordt elke diersoort gedomineerd door één of enkele rassen, bijvoorbeeld 98% van de melkveestapel in Nederland bestaat uit Holstein Friesians.

 


FAO-risicoclassificatieDe FAO hanteert een risicoclassificatie voor de populatiegrootte van rassen, die staat weergegeven in tabel 1. Toch geeft een dergelijk getal niet altijd voldoende informatie om de werkelijke risico’s in te schatten. Er zou ook moeten worden gekeken naar de populatietrend (groei of achteruitgang en het percentage zuivere fok) en de achterliggende redenen. In de praktijk is er vaak sprake van een scheve sekseratio. Daarnaast kunnen er zaken spelen als selectie (zoals bij schapen op scrapie-ongevoeligheid) en het gebruik van een beperkt aantal vaderdieren die ook nog eens een heel verschillend aantal nakomelingen krijgen. Ook dierziekten, zoals de afgelopen jaren blauwtong, kunnen grote gevolgen hebben voor de aantallen fokdieren.
Overzicht Nederlandse rassenDe gegevens in de volgende tabellen zijn verkregen op basis van de enquête die de Stichting Zeldzame Huisdierrassen vorig jaar aan de stamboeken en rasverenigingen gestuurd heeft. Hierbij zijn niet alleen de landbouwhuisdieren meegenomen, maar ook de andere diersoorten waarvoor de SZH zich inzet. De gegevens zijn aangevuld met informatie van CRV (voor rundveerassen) en van Ad Boks (voor pluimvee en eenden). De actualisering van duiven en konijnen zit nog in de pijplijn, waardoor nu geen actuele gegevens gepresenteerd kunnen worden. We gaan ervan uit dat de tellingen en schattingen betrouwbaar zijn, echter aanvullingen zijn van harte welkom (rita.hoving@wur.nl). De definitie van populatiegrootte kan voor onduidelijkheid zorgen. Wat zijn volwassen fokdieren? Is dat het totaal aantal volwassen vrouwelijke dieren of is dat het aantal dat jaarlijks één of meerdere nakomelingen krijgt? Wij hebben het doorgegeven antwoord opgenomen. Daarnaast zijn dieren van fokkers die niet bij een rasvereniging of fokkersclub zijn aangesloten ‘niet zichtbaar’. De overzichten in de tabellen 2 tot en met 8 rassen in 2007 in vergelijking, voor de meeste rassen, tot 2002.
RundveeUit tabel 2 blijkt dat alle kleine runderrassen in aantallen op dit moment stabiel blijven of groei vertonen. De Nederlandse runderrassen hebben echter wel een grote daling in aantal dieren meegemaakt. Voor de ‘Holsteinisering’ bestond de Nederlandse rundveepopulatie voornamelijk uit Fries Hollands (FH), Maas- Rijn- IJssel (Mrij) en Groninger blaarkop, nu bestaat deze bijna geheel uit Holstein Friesian (HF). Het Mrijras zit (nog) niet in de gevarenzone. Dit komt mede doordat het ras een effectief fokprogramma heeft om genetische vooruitgang te kunnen blijven realiseren. Genetische vooruitgang is noodzakelijk om te kunnen concurreren met de grote, commerciële rassen. Voor de kleine runderrassen is het niet eenvoudig om nog genetische vooruitgang te boeken. Andere functies (zoals natuurbeheer) kunnen wel helpen een ras in stand te houden.

Tabel 2 – Aantal en status van de Nederlandse runderrassen in 2002 en 2008

 ras  aantal
 vrouwelijke
 fokdieren
 in 2002
 aantal
 mannelijke
 fokdieren
 in 2002
 aantal
 vrouwelijke
 fokdieren
 in 2007
 aantal
 mannelijke
 fokdieren
 in 2007
 aantal
 fokkers
 in
 2007
 status
 in
 2007
 rund      
 Holstein
 Friesian 
 (zwartbont en
  roodbont)

1.650.000 

 

1.138.648 

 

 

 normaal
 Groninger
  blaarkop

2165 

38 

2366 

 

65 

 kwetsbaar
 Brandrood
  rund

100 

30 

454 

66 

55 

 bedreigd 
 Fries-Hollands
  (zwartbont)

5700 

 

3500 

 

 

 kwetsbaar
 Fries-Hollands
  (roodbont)

119 

43 

200 

 

64 

 bedreigd
 Witrik-
 kleurslag (op
 melkvee- of
 vleesveebasis)
 *1

1000 

39 

60 

 

38 

 bedreigd
 Lakenvelder

1700 

80 

1200 

35 

320 

 bedreigd 
 MRIJ

30800 

 

15.000 

 

 

 normaal
 Verbeterd
 roodbont

 

 

945 

 

 

 kwetsbaar

*1 De witrik is geen ras, maar een kleurslag, voor de telling is een andere basis gebruikt.


PaardenBij de paarden staan ook het Friese paard, het rijpaard en het tuigpaard vermeld (zie tabel 3). Dit zijn geen zeldzame rassen, maar wel rassen van Nederlandse oorsprong. Een punt van zorg binnen het Friese paard blijft de relatief hoge verwantschap doordat het ras in de vorige eeuw vanuit een heel kleine populatie opgebouwd is. Ook bij het rijpaard is er geen sprake van zeldzaamheid vanwege de grote aantallen dieren en het open karakter van de populatie. Bij de andere Nederlandse paardenrassen is er meestal wel sprake van gesloten populaties. Daarom is het beperken van verwantschap ook een belangrijk aandachtspunt.

Tabel 3 – Aantal en status van de Nederlandse paardenrassen in 2002 en 2007

 ras  aantal
 vrouwelijke
 fokdieren
 in 2002
 aantal
 mannelijke
 fokdieren
 in 2002
 aantal
 vrouwelijke
 fokdieren
 in 2007
 aantal
 mannelijke
 fokdieren
 in 2007
 aantal
 fokkers
 in
 2007
 status
 in
 2007
 paard      
 Gelders
 paard

500 

10 

2250 *2 

10 

 

 kwetsbaar
 Tuigpaard   

 33

  kwetsbaar
 Trekpaard

 1100

50

1078 

46 

 

 kwetsbaar
 Groninger 
 paard

200

 14

420

36 

100 

 bedreigd
 Fries
 paard 
   20.000

90

 7000 

 normaal
 rijpaard
 (spring- &
 dressuur-
 paarden)
   

 260

  normaal

*2 Door een andere telling zijn 2250 merries opgegeven, deze krijgen lang niet allemaal een veulen.


Schapen en geitenDe heideschapen (zie tabel 4) handhaven zich en de melkschapen zijn nu als één populatie weergegeven, waar ze in het verleden als Fries en Zeeuws melkschaap genoteerd stonden. Er zijn professionele melkschapenhouders, die echter veelal niet aangesloten zijn bij een stamboek. In de tabel staan ook de jongere schapenrassen vermeld, waarvan de Swifter de grootste is. De Texelaar heeft de grootste populatie en kent drie stamboeken. Bij de Landgeit is vanuit enkele exemplaren in de jaren vijftig van de vorige eeuw door een groeiende groep enthousiaste fokkers een populatie gerealiseerd die niet meer in de categorie ‘bedreigd’ valt.

Tabel 4 – Aantal en status van de Nederlandse schapen- en geitenrassen in 2002 en 2007

 ras  aantal
 vrouwelijke
 fokdieren
 in 2002
 aantal
 mannelijke
 fokdieren
 in 2002
 aantal
 vrouwelijke
 fokdieren
 in 2007
 aantal
 mannelijke
 fokdieren
 in 2007
 aantal
 fokkers
 in
 2007
 status
 in
 2007
 schaap      
 Zwartbles

2500

250 

2500

170

260 

 kwetsbaar
 Drents
 heideschaap

1312

87

2658

 201

100

 kwetsbaar
 Schoonebeeker

1277

23

1477

70

35

 kwetsbaar
 Blauwe
 Texelaar

3500

 250

4620

 263

 275

 kwetsbaar
 Mergelland-
 schaap

600

35

579

57

40

 bedreigd
 Kempisch
 heideschaap

1544

30

1802

 44

7

 kwetsbaar
 Nederlands
 melkschaap
 (Zweeuws en
 Fries) 

5500

110

7681

740

48

 onzeker
 Veluws
 heideschaap

1400

 60

1400

 70

 7

 kwetsbaar
 Texelaar

 

 

30.000

 2000

 950

 normaal
 Noordhollander  

 2074

 103

 38

 kwetsbaar
 Blessumer  

 4800

 60

 15

 kwetsbaar
 Swifter  

 13.954

 607

 

 normaal  
 Flevolander  

 1800

 

 40

 kwetsbaar
       
 geit      
 Nederlandse
 landgeit

 1600

 375

1923 

293 

150 

 kwetsbaar
 Nederlandse
 dwerggeit
  

 4000

 150

400 

 kwetsbaar
 Nederlandse
 bonte geit
  

 499

 133

 

 bedreigd 
 Nederlandse
 witte geit
  

 1882

 242

 

 kwetsbaar
 Nederlandse
 Toggenburger
 geit
  

 500

 162

 

 bedreigd  


Varkens en pluimveeInternationaal spelen de Nederlandse bedrijven een belangrijke rol bij leghennen, vleeskuikens, varkens en rundvee. De fokkerijorganisaties van de commerciële varkens- en pluimveerassen hebben de vader- en moederlijnen in eigendom en hebben daardoor controle over het in stand houden van de verschillende lijnen. De meeste rassen en foklijnen van de Nederlandse varkensfokkerijorganisaties zijn in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw opgebouwd. Het zijn zuivere rassen, met meer dan vijftig jaar gesloten fokkerij, een belangrijk uitgangsras is het Nederlands landras. Doordat het afgelopen decennium een aantal fokkerijorganisaties samengegaan is, zijn ook de uitgangspopulaties samengevoegd. De genoemde basislijnen zijn ook veiliggesteld in de genenbank. Evenals bij varkens worden in de pluimveefokkerij steeds nieuwe lijnen ontwikkeld die beter passen bij de wensen van de markt en het productiesysteem en wordt het raszuivere uitgangsmateriaal beheerd. Naast de commerciële pluimveelijnen is er in Nederland een groot aantal verschillende ‘hobby’-pluimveerassen (zie tabel 5), die vaak door slechts een klein aantal fokkers gehouden worden. Een klein aantal fokkers en houders kan een risico vormen voor de continuïteit en diversiteit van de rassen in de toekomst.

Tabel 5 – Aantal en status van de Nederlandse pluimveerassen in 2002 en 2007

 ras  aantal
 vrouwelijke
 fokdieren
 in 2002
 aantal
 mannelijke
 fokdieren
 in 2002
 aantal
 vrouwelijke
 fokdieren
 in 2007
 aantal
 mannelijke
 fokdieren
 in 2007
 aantal
 fokkers
 in
 2007
 status
 in
 2007
 pluimvee  

 

 

 

 
 Hollandse
 kuifhoenders

 130

 35

100 

20 

10 

 bedreigd 
 Hollandse
 kuifhoenkrielen

 150

 50

 135

 40

  bedreigd
 Baardkuifhoenders

 75

 30

75 

25 

10 

 bedreigd
 Baardkuifhoenkrielen

 125

 40

120 

40 

 

 bedreigd
 Welsumer

 250

 80

275 

100 

 

 bedreigd
 Welsumer kriel

 400

 150

 375

 125

  bedreigd
 Barnevelder

 400

 120

 305

 80

  bedreigd
 Barnevelder kriel

 300

 100

 475

 120

  bedreigd
 Groninger meeuw

 650

 150

 100

 50

  bedreigd
 Groninger meeuw
 kriel

 180

 60

 120

 60

  bedreigd
 Drents hoen

 150

 75

 150

 50

  bedreigd
 Drentse kriel

 200

 70

 200

 50

  bedreigd
 Drents hoen
 bolstaart
  

 15

 5

  kritiek
 Drentse kriel
 bolstaart
  

 20

 10

  kritiek
 Fries hoen

 700

 340

 600

 200

 70

 bedreigd
 Fries hoen kriel

 430

 250

 450

 150

  bedreigd
 Lakenvelder hoen

 150

 50

 240

 80

  bedreigd
 Lakenvelder hoen
 kriel

 170

 60

 80

 25

  bedreigd
 Nederlandse
 sabelpootkriel

 1800 *3

 1500 *3

 200

 100

  bedreigd
 Brabanter

 150

 85

 83

 34

  bedreigd
 Brabanter kriel

 130

 60

 25

 35

  kritiek
 Kraaikop

 110

 50

 100

 40

  bedreigd
 Kraaikop kriel

 35

 15

 30

 10

  kritiek
 Uilebaard groot

 200

 100

 200

 50

  bedreigd
 Uilebaard kriel

 135

 75

 70

 30

  bedreigd
 Chaams hoen

 100

 50

 310

 60

  bedreigd
 Hollands hoen

 130

 50

 140

 60

  bedreigd
 Hollands hoen kriel

 150

 50

 130

 60

  bedreigd
 Assendelfts hoen

 100

 35

 144

 36

  bedreigd
 Assendelfts hoen
 kriel

 90

 20

 30

 15

  bedreigd
 Noord-Hollandse
 blauwe

 250

 50

 280

 70

  bedreigd
 Noord-Hollandse
 blauwe kriel

 80

 30

 130

 35

  bedreigd
 Eikenburger kriel   

 11

 4

  kritiek
 Hollandse kriel, 21
 kleurslagen erkend

 1000

 1000

 1725

 775

150 

 kwetsbaar
 Schijndelaar  

 30

 15

  kritiek
 Twents hoen

 2000

 100

 425

 125

  bedreigd
 Twentse kriel  

 300

 100

  bedreigd

*3 Waarschijnlijk een onjuistheid in de data uit 2002



Ganzen en eendenDe populaties Nederlandse rassen zijn bedreigd of kritiek. De Twentse landgans doet het nu goed, de eenden zijn minder populair geworden (zie tabel 6).

Tabel 6 – Aantal en status van de Nederlandse eendenrassen en de Landgans in 2002 en 2007

 ras  aantal
 vrouwelijke
 fokdieren
 in 2002
 aantal
 mannelijke
 fokdieren
 in 2002
 aantal
 vrouwelijke
 fokdieren
 in 2007
 aantal
 mannelijke
 fokdieren
 in 2007
 aantal
 fokkers
 in
 2007
 status
 in
 2007
 eend      
 Overbergse
 eend

 30

 10

 15

 10

  kritiek
 Krombekeend

 110

 50

 75

 30

  bedreigd
 Noord-
 Hollandse
 witborsteend

 75

 25

 75

 25

   bedreigd 
  Kuifeend

 40

20 

25 

15 

  kritiek
  Kwaker

 750

 400

 750

 400

  kwetsbaar
       
 gans       
 Twentse
 landgans
 (wit en bont)

10

 5

85

 55

 

 bedreigd


DatabasesDe verzamelde geactualiseerde gegevens zijn ingevoerd in de Nederlandse database (http://efabis_nl.cgn.wur.nl), van waaruit automatisch de gegevens naar de Europese (http://efabis.tzv.fal.de) en mondiale databases (http://dad.fao.org) doorgevoerd worden. Een overzicht van de in Nederland voorkomende populaties ofwel dierlijke genetische bronnen is tevens beschikbaar via de door CGN onderhouden site www.absfocalpoint.nl. Bij de laatste site staan ook de organisaties vermeld die aanspreekpunt zijn voor de diverse rassen.

Rita Hoving (CGN), Sipke Joost Hiemstra (CGN), Hinke Fiona Cnossen (SZH) en Ad Boks (SZH)